U bent hier

Aristoteles en mariene nomenclatuur

<< Vorige verhaal

Reeds in geschreven bronnen uit de klassieke pre-Aristoteles literatuur krijgen (land)dieren namen toebedeeld. Zo bijvoorbeeld in de heldenverhalen van Homeros en Hesiodos, de fabels van Aesopos,  Aschylus’ treurspelen, de blijspelen van Aristophanes, Plato’s filosofische traktaten, Herodotos’ geschiedschrijving en de medische geschriften van Hippocrates. Toch was Aristoteles de eerste die bestaande namen bijeenbracht in een zoölogische verhandeling en waar nodig nieuwe namen bedacht. Van alle namen die in zijn geschriften terug te vinden zijn, blijkt ongeveer 30% (vissen) tot 70% (ongewervelde zeedieren en zeezoogdieren) nieuw, t.t.z. niet te traceren in oudere documenten.

Veel van de door Aristoteles gehanteerde namen – zoals polypous, sēpia, karabos, astakos, xiphias – zijn overigens overgenomen uit de volkstaal. Anders lijkt het gesteld met de benamingen die hij gaf om de waargenomen diversiteit op basis van gemeenschappelijke kenmerken te classificeren, zoals: anhaima (“bloedlozen”), enhaima (van bloed voorzien), ketodē (walvisachtigen), dithyra (tweekleppigen), monothyra (eenkleppigen), malakia (“zachtvlezigen”), malakostraka (met zachte schelp) en ostrakoderma (met harde schelp).

Dit gebruik om een soort te benoemen met een beschrijvende term is ook vandaag nog gangbaar, zowel bij het verlenen van wetenschappelijke namen aan een soort als bij het geven van lokale benamingen.  Voorbeelden zijn: Sphaerephesia amphorata (waarbij ‘amphorata’ verwijst naar de vorm van de dorsale macrotuberkels bij deze polychaet), Eviota bilunula (‘bilunulata’ – in het Latijn: twee maantjes – cfr de twee opvallende, zwarte, halvemaanvormige vlekken onderaan de borstvin van deze grondel), Ancylomenes luteomaculatus (met het Latijnse ‘luteus’ en ‘maculata’ wijzend op de goudgele vlekken op borststuk en achterlijf van deze steurgarnaal), en een veelheid aan Engelse, Franse en Spaanse namen, telkens verwijzend naar het uiterlijk van de soort: fresa de mar, cactus sea squirt, Yeti crab, short-beaked saddleback dolphin, éponge mousse de carotte, red organ pipe coral en cohombro de mar negro.

Voor nogal wat taxonomen uit de 16de-18de eeuw die zich wat graag van het Grieks bedienden bij het ontwikkelen van hun wetenschappelijke terminologie, waren de werken van Aristoteles een rijke bron van inspiratie. Ook Linnaeus, in zijn Systema Naturae, gebruikte heel wat Griekse namen gebaseerd op Aristoteles bij het uitdenken van zijn binomiale nomenclatuur. Deze benamingen werden gelatiniseerd tot bv.: Atherina, Asterias, Delphinus, Echinus, Muraena, Ostrea, Pinna, Perca, Phocoena, Sepia, Solen, Spongia, Trigla en Xiphias. Maar ook Brissus (Gray), Carcinus (Leach), Pinnotheres (Latreille), Scyllarus (Fabricius) en Spatangus (Gray) zijn voorbeelden van gelatiniseerde op Aristoteles gebaseerde namen, die door 19de eeuwse taxonomen aan ongewervelde dieren werden gegeven. Onvermijdelijk slopen in dit proces ook fouten en kregen sommige taxa een naam die Aristoteles voor een andere diergroep had bedacht; een bekend voorbeeld is Lepas, een naam die door Linnaeus gebruikt werd voor een geslacht van zeepokken, maar oorspronkelijk door Aristoteles bedoeld was om een schaalhoren, vandaag bekend als Patella caerulea, te benoemen.

Ook vandaag nog stelt zich dit probleem, temeer daar het aantal benoemde taxa een hoge vlucht heeft genomen. Het vaakst gaat het om een taxon dat meer dan één wetenschappelijke naam kreeg (synonymie) of een wetenschappelijke benaming die aan meer dan één taxon werd toebedeeld (homonymie) omdat auteurs van elkaar niet afwisten dat het bedoelde organisme al eerder was benoemd. Het synonymie probleem kan opgelost worden door soortenregisters aan te leggen die alle gepubliceerde namen toegankelijk en doorzoekbaar maken, zoals het geval is bij het Wereldregister voor Mariene Soorten (WoRMS) en vele andere registers wereldwijd (inclusief registers toegankelijk via het LifeWatch project). Het Interim Register of Marine and Non-marine Genera (IRMNG) richt zich op de homonymieën door die op familie- en genus niveau op te lijsten en te delen.

Naast zoölogische nomenclatuur vindt men in de geschriften van Aristoteles ook heel wat marien-biologische termen. Een mooi voorbeeld is de ‘lantaarn van Aristoteles’,  een term die sinds de 18de eeuw in gebruik is ter aanduiding van het kaakapparaat van zee-egels. Bij nader toezien – d.i. het herbekijken van de beschrijving door Aristoteles in combinatie met een studie van archeologische vondsten en andere bronnen uit die tijd – is echter gebleken dat niet zozeer het kaakapparaat, dan wel het volledige zeeëgelpantser sterke gelijkenissen vertoont met een antieke lantaarn.

 

  

Links: Corona van Tripneustes gratilla elatensis, verlicht van binnenuit en de lantaarnachtige patronen duidelijk demonstrerend. Beeld met toestemming van Andreas Kroh (Natural History Museum Vienna). Centraal: Strongylocentrotus purpuratus in 3-D, met in kleur de ‘lantaarn van Aristoteles’. Beeld met toestemming van Alex Ziegler (Univ. Bonn). Rechts: bronzen ‘Lychnouchos’ (lantaarn) uit de graftombe van koning Philippus II van Macedonië (336 v. Chr). Foto genomen ter gelegenheid van de expo “De Grieken: van Agamemnon tot Alexander de Grote”, The Field Museum, Chicago, Illinois © Mary Harrsch/Flickr (2016.03.24) – CC BY-NC-SA 2.0.

 

De juiste identificatie van de dieren door Aristoteles benoemd is trouwens vaak geen sinecure. Soms geeft hij weinig of onvoldoende beschrijvende informatie. Anderzijds zijn vele namen op zich al voldoende om – met wat kennis van het Grieks – een tip van de sluier te lichten. Zo hanteert Aristoteles de term pinnotheres (pinna + tērō = wachter) om een krabbetje te benoemen ‘die de steekmossel Pinna bewaakt’. Hij verwijst hiermee naar Pinnotheres pisum, een parasitair schaaldiertje dat binnenin diverse schelpdieren (zoals Pinna) leeft. Een ander voorbeeld is porphyra, afgeleid van porfyreos (‘purperkleurig’), dat vaak verwijst naar deze kleur bij levende organismen. Denk maar aan Porphyra, een bladvormig rood-purper gekleurd zeewier. In de tijd van Aristoteles werd de term in meer algemene betekenis gehanteerd voor drie organismen waaruit een purperen kleurstof kon worden geëxtraheerd: Bolinus brandaris, Hexaplex trunculus en Stramonita haemastoma. Om te achterhalen welke taxa Aristoteles bedoeld heeft bij het benoemen van levende organismen, kan ook ter plaatse informatie worden verzameld. Immers, de meeste door Aristoteles onderzochte dieren kennen een Egeïsche verspreiding en zijn ook vandaag, in het moderne Grieks, nog als dusdanig bekend, bv.: spongos (Dictyoceratida), dithyra (Bivalvia), pinna (Pinna nobilis), solēn (Solenoidea), astakos (Homarus gammarus), echinos (Echinoidea), ichthyes (Pisces), selachia (Elasmobranchii), xiphias (Xiphias gladius), porhyra (Muricidae). Tenslotte schuilt ook heel wat waarde in de informatie over eigenschappen van dieren uit oudere klassieke bronnen, zoals Dioscorides, Xenocrates, Athenaeus en Galen, die vooral publiceerden over het gebruik van zeedieren in voeding en gezondheidszorg.

Het moge duidelijk zijn, Aristoteles leeft verder in de mariene nomenclatuur, niet enkel via de indrukwekkende bron aan informatie en inspiratie voor wetenschappers, maar ook in de taxa naar hem genoemd. Mariene taxonomen vereerden hem in de loop van de geschiedenis alvast door zijn naam te verlenen aan minstens één genus en drie soorten: Aristotelopanope (Crustacea, Brachyura), Bogmarus aristotelis (Pisces), Hemiasterella aristoteliana (Porifera) en Phalacrocorax aristotelis (kuifaalscholver - Aves). Of hoe een man die 2400 jaar geleden leefde, ook vandaag nog onsterfelijk is…

 

De wetenschappelijke soortnaam van de kuifaalscholver (Phalacrocorax aristotelis), een soort die broedt langs rotsige kusten in Zuid- en West-Europa, herdenkt de Griekse filosoof Aristoteles. Hier is een jonge vogel in winterkleed. Foto: Roland François

 

Bronnen:

 

<< Vorige verhaal